De Europese Unie stelt de import van goederen uit Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever uit, ondanks toenemende internationale druk en een groeiend aantal lidstaten die een verbod willen opleggen. Juridische discussies en de weerstand van landen als Duitsland, Tsjechië, Hongarije en Slovenië blokkeren een besluit, waardoor een langverwachte maatregel wordt uitgesteld en de relatie tussen de EU en Israël verder wordt belast.

Wat is er gebeurd?

De EU-ministers van Buitenlandse Zaken hebben tijdens een recente vergadering besloten om geen besluit te nemen over een mogelijk importverbod op goederen afkomstig uit Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Dit komt ondanks de druk van landen zoals Nederland, Frankrijk, Spanje, Zweden, Polen en nog een handvol andere EU-lidstaten die een dergelijk verbod als een noodzakelijke maatregel beschouwen. De uitstel is het resultaat van juridische discussies over de classificatie van de maatregel – of het nu een handelsbeslissing of een buitenlands beleidsbeslissing is – en de weerstand van een aantal lidstaten.

De Europese Commissie had eerder drie opties gepresenteerd om de handel met de nederzettingen aan te pakken, variërend van een vergunningstelsel tot het opleggen van hoge importtarieven. De optie van een vergunningstelsel werd al snel afgedaan als gemakkelijk te omzeilen, aangezien goederen eenvoudigweg als afkomstig uit Israël zelf konden worden gelabeld. De hogere importtarieven zouden een vergelijkbaar effect kunnen hebben. De juridische haarkloverij draait om de vraag of de maatregel een handelsbeslissing is, waar een gekwalificeerde meerderheid volstaat, of een buitenlandspolitieke kwestie, die unanimiteit vereist.

De impasse illustreert de verdeeldheid binnen de EU over de relatie met Israël en de manier waarop de EU omgaat met de illegale nederzettingen. Hoewel alle EU-lidstaten het principe van de illegaliteit van de nederzettingen erkennen, is er geen consensus over de noodzaak of de wenselijkheid van een importverbod. De uitstel van een besluit heeft geleid tot frustratie bij de voorstanders van een verbod en heeft de kritiek op de EU’s ineffectieve beleid aangescherpt.

Achtergrond en context

De kwestie van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever is een langdurig en complex conflict met diepe historische en politieke wortels. De Westelijke Jordaanoever, samen met de Gazastrook en Oost-Jeruzalem, werd bezet door Israël in de Zesdaagse Oorlog van 1967. De bouw van nederzettingen op bezet Palestijns gebied is internationaal rechtelijk illegaal, een standpunt dat bevestigd is door het Internationaal Gerechtshof.

Het Internationaal Gerechtshof heeft in een advies twee jaar geleden verklaard dat Israëls aanwezigheid in het bezette gebied onwettig is en dat derde staten, zoals de EU, een verplichting hebben om geen handels- of investeringsrelaties te onderhouden die bijdragen aan het in stand houden van deze situatie. De EU heeft in het verleden kritiek geuit op de nederzettingen, maar heeft tot nu toe geen concrete maatregelen genomen om de handel te beperken.

De recente escalatie van het conflict, met toenemend geweld en intimidatie door kolonisten tegen Palestijnen, heeft de druk op de EU vergroot om actie te ondernemen. De aanval van Hamas op 7 oktober 2023 en het daaropvolgende militaire antwoord van Israël hebben de situatie verder verslechterd en de internationale aandacht op de Palestijns-Israëlische kwestie gericht. De Europese regeringsleiders hebben tijdens hun laatste EU-top impliciet aangedrongen op actie, door het initiatief van de Europese Commissie te onderschrijven om de handel met de illegale nederzettingen te onderzoeken.

Reacties en gevolgen

De uitstel van een besluit over het importverbod heeft geleid tot kritiek van verschillende hoeken. Europarlementariërs, waaronder vertegenwoordigers van de Groenen/EFA, S&D, The Left, EPP, Renew en andere fracties, hebben de EU-ministers van Buitenlandse Zaken bekritiseerd voor hun gebrek aan daadkracht. Zij benadrukken dat de EU haar verplichtingen op grond van het internationaal recht moet nakomen en dat het voortzetten van de handel met de nederzettingen bijdraagt aan de illegale situatie en het leed van de Palestijnse bevolking.

De Duitse houding, die de blokkade van een besluit leidde, wordt gezien als een poging om de druk van Israël te vermijden en de economische gevolgen van een verbod te minimaliseren. Andere landen, zoals Tsjechië, Hongarije en Slovenië, delen deze bezorgdheid. Kaja Kallas, de buitenlandchef van de Europese Unie, erkende de verdeeldheid en de juridische complexiteit van de kwestie, maar kon geen conclusie trekken tijdens de vergadering.

De gevolgen van het uitstel zijn veelzijdig. Het versterkt de perceptie van de EU als een ineffectieve actor in de internationale arena en ondermijnt het geloofwaardigheid van haar beleid ten aanzien van Israël en Palestina. Bovendien kan het de spanningen tussen de EU-lidstaten verder vergroten en de interne cohesie van de Unie aantasten. De uitstel kan ook leiden tot een verdere escalatie van het conflict in de Palestijnse gebieden, aangezien de Palestijnen zich steeds meer geïsoleerd voelen en de kolonisten zich vrijer voelen om hun activiteiten voort te zetten.